De mysterieuze verdwijning van Hezekiah Procter: Het eeuwige leven van een fictieve countryzanger

De mysterieuze verdwijning van Hezekiah Procter: Het eeuwige leven van een fictieve countryzanger

Door Harry de Jong

De Canadese singer-songwriter Andrew McClelland, alias Li’l Andy, maakt momenteel furore met een wel heel bijzonder project. Hij heeft zich het alter ego aangemeten van Hezekiah Procter, een muzikant die tussen 1925 en 1930 een heel nadrukkelijk stempel zette op de ontwikkeling van de vroegste country, blues, jazz en gospel. Aan het eind van de jaren twintig verdween de man echter plotseling van het toneel en op een geheimzinnige ansichtkaart na werd nooit meer iets van hem vernomen.

McClelland  schreef een alleraardigst boekje over het fictieve leven van deze countrypionier en samen met een aantal bevriende muzikanten  legde hij als Hezekiah Procter  & The Hash House Serenades op een dubbelelpee  27 liedjes vast die samen diens complete oeuvre vormen. Helemaal in stijl opgenomen, met analoge apparatuur uit de jaren dertig. Zodat je zou zweren naar oorspronkelijke old time country van 90 jaar geleden te luisteren. The Complete Recordings Of Hezekiah Procter worden live al net zo stijlvol en authentiek uitgevoerd.  Alsof de klok bijna een eeuw is teruggedraaid.

Kennis van zaken

Het hele project is door McClelland in elkaar gesleuteld met een grote kennis van zaken. Zo zijn in het boek heel handig fictieve en historische feiten met elkaar verweven.  Hezekiah is bijvoorbeeld ook van de partij als producer Ralph Peer in 1927 in Bristol, Tennessee, neerstrijkt om met zijn ‘Talking Machine’ Jimmie Rodgers en the Carter Family vast te leggen. Deze legendarische sessies worden algemeen beschouwd als de geboorte van de countrymuziek. En Hezekiah Procter was erbij. Ook de grote staking van textielarbeiders in Gastonia, Noord Carolina,  waar Procter in 1929 in verzeild raakt,  berust op historische feiten.

Jeugd

Hoe kwam McClelland op het idee voor dit bijzondere project?  Daarvoor moeten we helemaal teruggaan naar zijn vroege jeugd. 

“Ik ben nooit een fan geweest van the Beatles en the Stones toen ik een tiener was,’’ vertelt hij. “Ik ben geboren en getogen op het Canadese platteland in een familie van godvrezende boeren. De radio stond zelden aan, maar in de kelder stond een ouderwetse grammofoonspeler waar je 78-toeren platen op kon draaien. Die was van mijn opa en zijn platencollectie bestond uit oude kerkgezangen en dat soort gewijde muziek. Van jazz en blues had hij nog nooit gehoord. Omdat ik die platenspeler mocht gebruiken zoveel ik wilde, begon ik platen te kopen van artiesten als Gene Autrey , Bob Wills, Hank Williams, Jimmie Rodgers en Charlie Poole. Ik vond hun muziek fascinerend. Ik was toen een jaar of twaalf en verslond de biografieën van die mannen. Wat een kleurrijke figuren. Ze waren bijna allemaal opgegroeid in extreme armoede. En ze hadden ook bijna allemaal een ernstige ziekte gehad in hun jeugd.”

Toen McClelland later zelf de muziek in ging en als Li’l Andy bekendheid kreeg in Canada,  bedacht hij  dat het heel origineel zou zijn om een countryheld in de jaren 20 van de vorige eeuw te creëren die iets in zich had van de sterren uit die tijd. Iemand die opgroeide in armoede en later een grote commerciële doorbraak zou maken. “Ik vond het een uitdaging  om een alter ego te scheppen, een soort tweede persoonlijkheid. Ik stapte met Hezekiah Procter dus even in een ander leven. Al die jaren dat ik er mee bezig was, werd het project steeds groter. Ik begon met het schrijven van liedjes voor een album, maar daarnaast kreeg ik ook inspiratie voor een boek over het leven van Hezekiah. En daarbij moest het gaan om een fictief leven, maar in de context van echte historische gebeurtenissen.”

Grote staking

Een belangrijk hoofdstuk is dan ook de grote staking in de katoenfabrieken in Gastonia in 1929. Een dramatische staking, waarbij zelfs mensen werden neergeschoten. Hezekiah is in die tijd in Gastonia en werpt zich op als voorvechter van arbeidersrechten. Net als Woody Guthrie dat deed in de jaren dertig en begin veertig van de vorige eeuw.

McClelland: “Ik heb altijd veel bewondering gehad voor Woody Guthrie, al deed hij soms een opvallende knieval voor de commercie.  Zoals de liedjes die hij in 1940 schreef in opdracht van The Bonneville Power Administration, de uitbater van de Grand Coulee Dam op de Columbia rivier in het noordwesten van de V.S. Die wilde begin jaren 40 een film maken rond de toen net opgeleverde  dam om daarmee het gebruik van elektriciteit promoten bij de boeren in de streek. De liedjes van Woody moesten de twijfels wegnemen over het nut van elektriciteit op een boerderij en het  verbaast me nog altijd dat hij zich daar voor leende. Woody was immers een protestzanger die fel stelling nam  tegen uitbuiting van boeren en arbeiders. Maar hij deed het toch en schreef 20 liedjes over dat ‘achtste wereldwonder.’  Als vandaag de dag de Canadese regering mij zou vragen om een liedje te schrijven over hoe geweldig het is om een dam te bouwen of over het boren naar olie in de natuur, dan zou ik zeggen dat ze m’n rug opkunnen.  Maar misschien was Woody Guthrie  wel erg naïef. Ik heb daar goed over nagedacht en dergelijke tegenstrijdigheden ook laten terugkomen in de creatie van de persoonlijkheid van Hezekiah Procter. Dat maakt hem een stuk authentieker. “

Vlees en bloed

Een man van vlees en bloed, een idealist en een sympathisant van de communistische partij. Dat is Hezekiah Procter als hij verzeild raakt in genoemde staking. Die begon in de Loray Mill, een textielfabriek waar tweeduizend mensen werkten. Aanleiding was het feit dat de directie besloot de lonen te verlagen omdat de opdrachten terugliepen. De Eerste Wereldoorlog had de textielfabrieken geen windeieren gelegd dankzij de defensieorders van de regering voor uniformen, tenten en oorlogsmateriaal. Er ontstonden duizenden nieuwe banen in de fabrieken en de lonen stegen tot ongekende hoogten. Maar dat duurde niet lang. Mee door de economische recessie kwamen duizenden arbeiders in de textielindustrie op straat te staan en wie nog wel het geluk had dat hij een baan in die sector had, zag zijn loon dalen van 19 tot 5 dollar in de week. Vaak waren de werkdagen zo lang dat de vrouwen, die een aanzienlijk percentage van de arbeiders vormden, zelden thuis waren om hun kinderen groot te brengen. Reden voor de communistische vakbond om actie te ondernemen.  Daarbij richtten zij hun pijlen op de Loray Mill in het stadje Gastonia .Want daar was de situatie het meest schrijnend.

Ellen Dawson

Op zaterdag 30 maart 1929 hield de vakbond haar eerste openbare bijeenkomst in Gastonia. Stakingsleider werd de tengere Ellen Dawson.  Op 1 april 1929 legden 1.800 arbeiders van de Loray Mill hun werk neer. Ze eisten  een 40-urige werkweek en een minimumloon van 20 dollar per week. De meesten van hen huurden hun woonruimte van de fabriek en als reactie op de staking zette de directie honderden gezinnen op straat. Dit leidde tot tal van gewelddadigheden, waarbij troepen van de Nationale Garde werden ingezet om de orde te handhaven. Niettemin verwoestten bijna 100 gemaskerde stakingsbrekers  het kantoor van de vakbond. En bedreigden ze de uit hun woning gezette stakers, die in tentenkampen aan de rand van het stadje woonden. Ze werden permanent bewaakt door gewapende stakers.

Schietpartij

McClelland: “De staking ging maandenlang door en toen de politiechef uiteindelijk eiste dat de bewakers van het tentenkamp hun wapens inleverden, ontstond een schietpartij waarbij een politieman werd gedood en talloze stakers gewond raakten.  In de nasleep werden 71 stakers gearresteerd.”

Maar de onrust bleef. “Stakingsbrekers, politie  en stakers kwamen steeds feller tegenover elkaar te staan,’’  weet McClelland. “Pas in september 1929 kwam er een eind aan. Een centrale rol hierin was weggelegd voor Ella May Wiggins, een alleenstaande moeder van negen kinderen, van wie er vier stierven aan kinkhoest als gevolg van onvoldoende medische zorg. In plaats van een huis te huren dat eigendom was van een textielfabriek koos ze ervoor om in een houten hut te wonen,  waar haar kinderen werden verzorgd door een vrouw uit de buurt. Wiggins geloofde heilig in een vakbond en ontpopte zich tot een belangrijke stakingsleider. Op bijeenkomsten zong ze zelfgeschreven liedjes over het nut van arbeiders om zich te  verenigen en eigenlijk was ze daarmee de eerste protestzangeres.”

Op 14 september 1929 werd een zwangere Ella May Wiggins in de borst geschoten toen ze samen met haar broer en twee andere mannen op weg was naar een vakbondsbijeenkomst in Gastonia. Op een brug werden ze tegengehouden door twee auto’s vol gewapende mannen die zonder aarzelen het vuur op hen openden.  De staking werd kort na de moord op haar beëindigd.

Uit beeld

Te midden van al dit stakingsgeweld verdwijnt Hezekiah Procter plotseling uit beeld. Is hij omgekomen tijdens de schietpartijen of  is hij ‘m levend en wel gesmeerd en heeft hij gekozen voor een anoniem bestaan? McClelland: “Niemand zal ooit weten hoe het hem precies is vergaan. De laatste herinnering aan hem is een briefkaart gericht aan zijn ouders, die in 1934 op de bus moet zijn gedaan. “Lieve vader en moeder, ik hoop dat jullie ooit de kans krijgen om de muziek te horen die ik in mijn leven heb gemaakt  en dat jullie begrijpen dat ik altijd het juiste pad heb bewandeld,’’ luidt de tekst kort samengevat.”

Maar de echtheid van deze briefkaart wordt nog steeds in twijfel getrokken. Door hem zo mysterieus te laten verdwijnen, heeft Andrew McClelland zijn geesteskind Hezekiah Procter in ieder geval wel het eeuwige leven  bezorgd.  Want generatie op generatie zal zich af blijven vragen: waar is die man toch gebleven?